AL ruim 25 jaar begeef ik mij op het bestuurlijke terrein van de sportvereniging en daarnaast ben ik nu ongeveer 20 jaar beroepsmatig werkzaam in de sportwereld.
De opvallendste waarneming uit die 25 jaar is, dat de sporter wei wil sporten, maar daarvoor zo weinig mogelijk voor wil betalen. Elke dienst heeft echter een prijs, of deze nu door een vrijwilliger of een beroepskracht wordt uitgevoerd. Bij de eerste in tijd, bij de tweede in geld. Aan het begin van mijn "sportbestuurder¬loopbaan" was het gewoon, bijna vanzelfsprekend, dat vele diensten vrijwillig werden gedaan. Maar in de loop der tijd zijn zaken veranderd en werkzaamheden die voorheen werden verricht door vrijwilligers, zijn veelal overgenomen door - relatief- dure beroepskrachten.
Maar nog steeds willen sporters maximale voorzieningen tegen minimale kosten. Het gevolg daarvan is, dat menige kanovereniging in zijn streven zoveel mogelijk sporters vast te houden, twee soorten lidmaatschap in het leven heeft geroepen: één met een NKB-bijdrage en één zonder NKB-bijdrage. Deze tweedeling heeft op de NKB hetzelfde effect als op een vakbond: het zijn veelal de vakbonden, die de arbeidsvoorwaarden afspreken. De vakbondsvertegenwoordigers worden betaald door de aangesloten leden, terwijl de verkregen CAO's ook gelden voor de niet vakbondleden. Deze laatsten hebben dus wel de lusten (bijv. overal kunnen varen), maar niet de lasten (de betrekkelijk geringe contributiekosten)!
Tijdens discussies wordt door niet-leden steeds het (behoorlijk slappe) argument gebruikt, dat men niet weet wat de NKB voor de bijdrage doet en iedere. Elke keer moet dan weer worden uitgelegd waarom het lidmaatschap noodzakelijk is, namelijk
- belangenbehartiging (elke kanovaarder wil overal kunnen varen zonder beperkingen) en daartoe moet de NKB vaak met verschillende overheden overleggen
- kanoverenigingen willen graag gebruik maken van allerhande subsidiemogelijkheden (bv. teruggave ecotaks, subsidie schoolsport, subsidie kanosportstimulering etc).
Hiervoor ontwikkelt de NKB plannen en dient zij subsidieaanvragen in bij de overheid en NOC-NSF. Daartoe zijn medewerkers aangetrokken om daaraan vorm te geven en de subsidiegelden binnen te halen. Indien alle kanovaarders die lid zijn van een kanovereniging hun lidmaatschapbijdrage aan de NKB betalen, dan zouden de ondersteuningsmogelijkheden vergroot kunnen worden en de gemiddelde bijdrage niet stijgen. Bij sommigen leeft ook het misverstand dat het NKB-lidmaatschap alleen dien ter verkrijging van een wedstrijdlicentie.
Bedenk dat slechts 5% van de NKB- gelden gebruikt worden voor de wedstrijdsport. De overige gelden voorde wedstrijdsport zijn specifieke wedstrijd- en topsportsubsidies, die beschikbaar gesteld worden door NOC-NSF en het ministerie van VWS, afhankelijk van het aantal wedstrijdsporters, de prestaties van de wedstrijdsporters, de geplande wedstrijden en trainingen en de beschik¬bare gelden vanuit de subsidiegevers. Met andere woorden het grootste deel van het contributiegeld wordt gebruikt voor belangenbehartiging, breedtesport en opleidingen. Dus hoe meer leden, des te meer inzet van medewerkers en geld ten behoeve van de grote doelgroep recreatieve vaarders! :
Duidelijk is wel dat de tweedeling binnen kanoverenigingen een groot probleem wordt. Wanneer er niet snel een kentering komt. Ik hoop, dat de kanoverenigingen hun verantwoordelijkheid nemen en al hun leden opgeven, zodat het fenomeen 'grijze leden' in de kano¬wereld tot het verleden gaat behoren.
Maarten van Bergen, directeur NKB-bondsbureau
|
Halverwege 2005 hebben alle aangesloten kanoverenigingen een leidraad ontvangen voor de ontwikkeling van een jeugdsportbeleidsplan. In de begeleidende brief werd een aanbod gedaan om de verenigingen te helpen bij het ontwikkelen en het schrijven van een dergelijk plan. Het aanbod ligt nu een halfjaar bij de secretaris van de kanoverenigingen. Met het aanbod was geld (door middel van verenigingsondersteuning) gemoeid. Bij het ontwikkelen van de leidraad als ondersteunïngsmogelijkheid voor de verenigingen is ervan uitgegaan, dat de kanoverenigingen, net zo als alle andere sportverenigingen een goed jeugdbeleidplan willen hebben, dan wel geholpen willen worden bij de ontwikkeling van een dergelijk plan.
De belangstelling voor het plan viel tegen, slechts een paar verenigingen maakten gebruik van het aanbod. Hieruit zijn verschillende redenen te verzinnen:
- De kanoverenigingen hebben al een uitstekend en getoetst jeugdbeleidsplan;
- De kanoverenigingen hebben daardoor zo'n grote aanloop van jeugdleden, dat aanvulling daarop niet nodig is;
- De kanoverenigingen hebben géén hulp nodig om de jeugd te werven en vast te houden als lid van hun kanovereniging;
- De gemiddelde kanovereniging stelt aanwas via jeugdleden niet op prijs;
- Een jeugdbeleidsplan is een overbodig document;
- Beleidsplannen maken is voor alle sportverenigingen goed, behalve voor kanoverenigingen;
- De bestuursdeskundigheid op verenigingsniveau is zo groot, dat hulp van buitenaf gewoon weg niet nodig is; :
- Alle gekheid op een stokje: misschien zijn er nog wel wat redenen te bedenken, maar voor mij staat één ding vast: een groot aantal kanoverenigingen hebben in 2005 een unieke kans laten liggen om met behulp van een sportbeleidsdeskundige en een financiële bijdrage vanuit het NKB-bondsbureau een aanzet te geven tot een jeugdbeleidsplan, waarmee men de toekomst van de kanovereniging enigszins verzekerd heeft.
|